Vanwege tegenvallende visvangsten heeft het bestuur in februari 2011 een visserijkundig onderzoek laten uitvoeren in de fortgracht van het Fort Abcoude. Het onderzoek werd uitgevoerd door Sportvisserij Nederland. Met een zegen zijn zes trekken uitgevoerd. Met een electroapparaat werd 1600 meter oever afgevist. Alle gevangen vis werd in teilen met een speciale verdovingsvloeistof gedaan. De licht verdoofde vis kon vervolgens zonder kans op beschadiging of stressverschijnselen worden gewogen en opgemeten. Vervolgens werd de vis weer teruggezet. In totaal werden bijna 13000 vissen gevangen met een totaal gewicht van ongeveer 333 kilo.

Tijdens de visstandbemonstering zijn 13 vissoorten gevangen. Iets meer dan de helft van de soorten behoort tot de hoofdgroep eurytope vissoorten (geen voorkeur voor planten of stroming). Dit betreft de soorten baars, brasem, blankvoorn, karper, kolblei, aal en pos. De overige vissoorten behoren tot de limnofiele soorten (soorten die behoren tot het plantenrijke milieu met stilstaand water). Dit betreft de soorten bittervoorn, kroeskarper, ruisvoorn, snoek, vetje en zeelt. Het aandeel van de limnofiele vissoorten in de vangst was qua aantal 14% en qua gewicht 30%.

Blankvoorn is de meest voorkomende vissoort in de fortgracht. Er werden meer dan 10.000 exemplaren gevangen (82% van de vangst, 41% van het totale vangstgewicht, waaruit blijkt dat het meest kleine vissen waren). Blankvoorn werd vooral in grote groepen aangetroffen dicht langs de oever aan de zijde van het fort tussen in het water groeiende struiken. De blankvoorn verkeerde in een matige tot voldoende conditie. Dit zou kunnen wijzen op een sterke voedselconcurrentie vanwege de grote dichtheid. De conditie van de ruisvoorn was ook matig tot voldoende. Brasem, kolblei en zeelt verkeerden wel in goede conditie.

De lengtesamenstelling van blankvoorn, brasem en ruisvoorn is onevenwichtig. Van brasem is de lengteklasse 18-50 centimeter nagenoeg afwezig. Van blankvoorn is er een grote piek van exemplaren met een lengte van 11 en 12 centimeter en een minder grote piek in de lengte 6 en 7 centimeter. Blankvoorn en ruisvoorn groter dan 17 centimeter komen nauwelijks voor.

De belangrijkste roofvis in de fortgracht is de snoek met een gewichtsaandeel van circa 17% in de vangst. Er werden 48 exemplaren gevangen, zowel oudere als jongere vissen. De kleinste mat 24 centimeter en de grootste 83 centimeter. De conditie van de snoek was voldoende tot goed. Er is ruim voldoende prooivis aanwezig in de vorm van kleine blankvoorn.

Uit de lengte/frequentieverdeling van enkele witvissoorten, zoals brasem, blankvoorn en ruisvoorn, blijkt dat de populaties van deze soorten niet evenwichtig zijn opgebouwd. Exemplaren in de lengteklasse 16 tot 50 cm ontbreken nagenoeg. Dit is een aanwijzing voor aalscholverpredatie. Een aalscholver eet dagelijks gemiddeld 400 gram vis. Dat is 146 kilo vis per jaar, voornamelijk in de lengtecategorie van 10 tot 40 cm. Rond het viscentrum worden regelmatig 3 tot 4 aalscholvers waargenomen. Die eten dan gezamenlijk 400 tot 500 kilo vis per jaar! Een onttrekking van een dergelijke omvang heeft grote gevolgen voor de visstand. Een andere aanwijzing voor aalscholverpredatie is dat de kleinere vis zich voornamelijk ophoudt tegen de oever tussen in het water groeiende struiken. De vis zit daar als het ware permanent verstopt voor de aalscholver. Bij het visserijkundig onderzoek werd inderdaad de meeste kleine blankvoorn bij de oevers gevangen met het electroapparaat.

De aalscholverpredatie wordt gestimuleerd door het ontbreken van schuilgelegenheid voor vis in de herfst en winter. De in de fortgracht aanwezige vegetatie (plomp en waterlelie) sterft dan af en met uitzondering van de oeverzone is er daardoor geen schuilgelegenheid voor vis meer aanwezig, waardoor de aalscholver eenvoudig kan jagen.

Het ontbreken van witvis in de lengteklasse van 16 tot 50 cm en de schuwheid van de vis zijn voor de sportvisser een groot knelpunt. De kans op het vangen van een grotere vis is klein en het vangen van een kleine vis lukt alleen als deze uit zijn schuilplaats durft te komen.

Aanbevelingen

De slechte hengelvangsten van de laatste jaren zijn het gevolg van aalscholverpredatie. Om dit probleem op te lossen kunnen alleen preventieve maatregelen worden genomen. De aalscholver is immers een beschermde vogelsoort.

Om de functie van de fortgracht als viswater voor minder valide en oudere sportvissers te verbeteren, dienen er nabij de vissteigers schuilplaatsen voor vis te worden gecreëerd. De vis zal dan in de nabijheid van de vissteigers blijven en zal ook in de herfst en winter beschermd zijn tegen wegvraat door aalscholvers. Verder kunnen er obstakels in open water worden geplaatst. De obstakels mogen niet passeerbaar zijn voor aalscholvers maar wel voor vis. Groepen aalscholvers kunnen de vis dan niet meer opdrijven, waardoor de predatie wordt beperkt.

Viskooien

Op advies van Sportvisserij Nederland heeft het bestuur ervoor gekozen om schuilplaatsen voor de vis te creëeren door middel van gaaskooien. Een gaaskooi bestaat uit cilinders van schapengaas met een diameter van 80 cm en een hoogte van 120 cm.  Negen cilinders zijn in drie rijen van drie met elkaar verbonden en aan de bovenzijde bedekt met nylon schaduwdoek. Het doek is verzwaard met sintels waardoor het niet bol komt te staan. Een kooi heeft aldus een oppervlak van 2,4 bij 2,4 meter. Het schapengaas heeft mazen van 10 bij 15 cm, wijd genoeg om een grote vis door te laten maar te nauw voor een aalscholver.

In totaal zijn 19 complete kooien in de fortgracht geplaatst tegenover de vissteigers 1 t/m 11 op ongeveer 10 meter uit de oever. Deze afstand is voldoende groot dat met de gewone hengel het vistuig niet in de kooien verward kan raken. Voorts zijn aan de oostzijde van de fortgracht 25 kooien in twee rijen aangebracht van oever tot oever. De functie hiervan is dat groepen aalscholvers de vis niet kunnen opdrijven.

De bovenzijde van de kooien bevindt zich circa 40 cm onder water. Daardoor kan de fortgracht in de winter als schaatsbaan door de Abcouder IJsclub worden gebruikt.

 

De plaatsing van de gaaskooien is niet in strijd met de Flora- en Faunawet, omdat de aalscholver er niet door wordt gedood, gevangen of verstoord. De Minister van LNV heeft als antwoord op Kamervragen in april 2009 al aangegeven dat zij positief staat ten opzichte van het plaatsen van gaaskooien in wateren die een specifieke sportvisserijfunctie hebben. De gaaskooien zijn namelijk gericht op het voorkomen van schade aan de visstand, zonder dat er daarbij nadelige effecten zijn voor de aalscholver zelf. Eerdere experimenten met kooiconstructies in onder andere Engeland hebben namelijk aangetoond dat de kooien geen schade berokkenen aan de aalscholver en overige dieren in de omgeving.

 

Dit artikel is ontleend aan het  Rapport Visserijkundig Onderzoek Fortgracht Abcoude  van 27 juni 2011 van Sportvisserij Nederland.